Radiostilte

Ik spring in de auto. De haastig gesmeerde boterham met pindakaas tussen de kiezen stekend start ik de wagen en scheur de straat uit. Ik heb om tien uur een afspraak in Amersfoort. Ik voel in mijn zakken of ik alle dagelijkse benodigdheden (te weten een agenda, een pen, tabakswaar, een goed gevulde Zippo, huissleutels en een portemonnee) inderdaad bij me gestoken heb. Waarvan akte.

Het laatste stuk van de tweede boterham prop ik even later naar binnen, waarna ik met diezelfde hand mijn agenda uit mijn binnenzak gris. De radio spuwt opdringerige klanken uit, fijngeknepen stemmen persen zich de luidsprekers uit. Ik klap de agenda open en zie in haastig gekrabbelde letters staan: 11:00 Amerfoort. Shit!

Een uur te vroeg vertrokken dus. Ik ben vanwege mijn snelheid al dusdanig ver van huis verwijderd dat ik geen zin heb om terug te rijden. Als ik ergens een hekel aan heb is het terugkeren als je net aan een ritje begonnen bent. Het voelt als falen, bovendien zouden het overbodige kilometers zijn. Ik besluit door te rijden.

Langzamer dan anders, voeg ik even later op de snelweg in. Mijn incalculatie van filetijd blijkt ongegrond geweest te zijn en ik zie de kilometeraanduiding op de gigantische blauwe borden afnemen.  Als het zo doorgaat ben ik over 15 minuten op mijn eindbestemming terwijl ik nog anderhalf uur te besteden heb.

Voor iemand die gewend is vaak enigszins laat te komen is dit een tegennatuurlijk ervaring. Ik bereik een knooppunt dat meestal garant staat voor een logge slurf van tot in de verste verte fonkelende lampjes. Helaas, de weg is vrij. Althans op mijn kant van de weg. Verlustigd staar ik naar de tegengestelde weghelft waar men in zo’n tafereel beland is.

Iets verderop besluit ik vertraging te forceren en parkeer mijn auto bij Shell ‘de Slaag’, langs de A1 ter hoogte van Spakenburg.  Ik zet de motor af en verruil de opdringerige klanken van het populaire radiostation met de kalmte van een razende snelweg tussen dunbevolkte weilanden. Ik loop naar de pomp en koop een kop koffie.

Goed, ik heb dus een uur over, en niets te doen. Terug bij de auto neem ik plaats, zet mijn stoel in de achterste stand en schakel radio 4 in. De Klassieken, een heerlijk gezapig programma. Met de zachte niet opdringerige stem van Maartje van Weegen. Hoewel haar achternaam anders doet vermoeden heeft de muziek die zij draait een bevreemdend effect op het beeld van langsrazende auto’s dat ik aanschouw. Ik luister naar Bach, vervolgens Carl Jenkins. Mooie muziek, wat een rust.

Niets is wat het lijkt. Achter een orenschijnlijke oase van rust en harmonie gaat een wereld schuil waarin elke milliseconde telt. Ik was afgelopen vrijdag bij dit programma in de studio, toen ik hun piano stemde. Zwetend zat ik achter het instrument terwijl de presentatrice me om de paar minuten het teken gaf dat ze weer iets ging zeggen en de opnamelamp ging branden. Muisstil wachtte ik af tot de muziek ingestart werd en ik de klus kon klaren. Zeer dankbaar was ik Joseph Hayden om 10.30 dat ik vanwege zijn achttien minuten durende stuk de gelegenheid had de piano mores te leren. Nog nooit zo genoten van een stuk waar ik geen noot van gehoord heb.

Het was een drukke bedoeling van in- en uit lopende technici, een indringend rood opnamelampje dat mij prangend aanstaarde en een desondanks uiterst geconcentreerde presentatrice die mij de genadeslag gaf met de verontschuldigende mededeling dat de muzikanten al stonden te wachten.

Nu heb ik een uur over, en niets te doen. Ik staar naar de westkant van Amersfoort, waar hijskranen als mechanische pelikanen de stad over loeren. Ik zie auto’s aan en af komen op de parkeerplaats. Mensen stappen uit, roken snel een peukje, bellen wat. Een meneer pist argwanend in de bosjes en scheurt weg.

Wat een geraas. Waarom eigenlijk, wat nou als we met zijn allen zouden afspreken dat we gewoon twee keer zo langzaam gaan bewegen? Dan zouden we ook twee keer zo weinig energie verbruiken, twee keer zo weinig boodschappen nodig hebben, zouden files twee keer zo kort zijn en dus in verhouding veel sneller opgelost. Dan was het uur dat ik nu over had in effectiviteit twee keer zo kort geweest. Goed, nu dwaal ik af…

Op deze manier mijmer ik mijn uur vol tot de dashboardklok mij weer terughaalt in de realiteit. Volledig ontspannen. Ik rij weg, accelereer tot een forse 3000 toeren en arriveer netjes op tijd op mijn afspraak, waarna ik een gesprek voer dat gaat als de brandweer! Waar een beetje vertraging al niet goed voor kan zijn.

Hersenschimmen

Het is nu een jaar geleden dat ze dood gingen. In twee weken tijd kozen ze beiden voor de eeuwigheid. Tijd om het graf eens te bezoeken, dacht ik onlangs op een zonnige dag. Op de fiets maakte ik het tochtje van een kilometer of vijftien, dat ik eerder weleens naar hun huis maakte op een middag als deze. Een kopje koffie, oma die me steevast een sigaretje aanbood. Opa, verdwaasd in zijn stoel – de ouderdom zat hem in zijn vezels. Af en toe glimlachte hij glazig. Oma stond erop dat zij de maatregelen voor het bezoek zou treffen, te weten een extra kopje op het dienblad op de rollator.

Nu was ik op weg naar niemand. Na de begraafplaats bezocht te hebben zette ik mijn tochtje door naar hun oude huis, hetgeen ze bewoonden voordat ze de aanleunwoning betrokken. Een grote twee-onder-één-kap woning met een flinke zij- en achtertuin. Ik was er in jaren niet meer geweest.

Ik fietste door de naar een componist genoemde straat, op zoek naar het huis waar ik een deel van mijn kindertijd doorgebracht heb. Geen van de huizen leek te lijken op het prachtige plaatje dat ik in mijn hoofd had. De reusachtige coniferen die als decor dienden voor de fantasievolle avonturen die mijn neef en ik beleefden, de rokerige bruine huiskamer waar oma en opa op hun vaste plekke zittend van het leven genoten. Het kratje voor de deur met de melkflessen. Opa’s herenfiets waar hij met een minister-Donner-achtige statigheid op aan kwam fietsen als hij van de bibliotheek kwam. Niets was er meer.

Ik zag een huis dat er op leek, althans: het steegje ernaast gaf me de indruk dat dit het weleens zou kunnen zijn. De coniferen waren weg, de zijtuin was bebouwd met een gigantische tweede garage, waarschijnlijk voor een dure SUV. Koppig als ik aan mijn herinnering vast wilde houden hield ik me voor dat dit het huis niet was. Ik fietste rustig door en besloot verder te zoeken. De rest van de straat voldeed al helemaal niet meer aan het beeld. De statige huizen, rustige tuinen en het vredige sfeertje hadden plaatsgemaakt voor nieuw gebouwde huizen, rieten loungesets in de tuinen en twee à drie moderne slagschepen voor de deur. Twee geplamuurde en gepoederde Gooiers staarden me verwijtend na toen ik een tweede rondje door de straat fietste. Ik had heimwee. Ik wilde weer spelen in de tuin en door het zijraam naar binnen staren, waar iedereen gelukkig en tevreden zat te zijn.

Gehard door deze confrontatie met de vergankelijkheid van alles wat je lief is, trapte ik de pedalen in en fietste snel de straat uit. Vlak voor het einde kwam er een man op een bruin rijwiel rustig maar gedreven de straat in fietsen. In een flits herkende ik hem, wilde hem groeten. Ik stak mijn hand langzaam op in de richting van de tegenligger.

De vreemdeling keek mij verbaasd aan en gaf een verstoord knikje ten beste. In de verste verte leek hij er niet op. Verward en onvoldaan fietste ik naar huis. Met de snelheid die ik genereerde op het schelpenpad over de hei kwamen gelukkig de herinneringen weer terug en verdween de realiteit, die ik tot op de dag van vandaag ontken.

Even oud

Tags

, , ,

Niet roken en een week rust, zo luidde het devies van de zweterige huisarts die ik begin deze week een bezoek bracht vanwege een keelontsteking. En iedere dag een pilletje, voegde hij er aan toe toen hij het mij bestemde recept routinematig vanachter zijn bureau uitschreef.

Vooraf, in de wachtkamer was het druk geweest. Ik zat aan de leestafel en bladerde een tijdschrift door. Om me heen, op de stoelen langs de wanden zetelde een schare oude van dagen. Af en toe opkijkend van het weinig belangwekkende tijdschrift aanschouwde ik hun grijze haren, in kromming getrokken ruggen en diepe rimpels om monden en ogen. In de wachtkamer was het stil, gestommel klonk vanuit de hal. En nu en dan een achternaam door de openzwaaiende deur. Getrouw wachtten zij met waterige ogen op het klinken van hun naam.

De rest van de week bracht ik, de adviezen van de medicus in acht nemende, door in retraite op bed en bank.

Nu het prikkeldraad in mijn keel wat geslonken is ben ik vanavond weer eens op de fiets gestapt, om de roestige raderen voorzichtig een beetje te smeren. Wat frisse lucht zou mij goed doen. Na het rijwiel uit de schuur gehaald te hebben, fietse ik langzaam doch zeker de straat uit.

De zon alsmede de temperatuur waren dalende. Naar rechts, een stukkie de dijk af. Aan het einde nog even langs de zwanen op de stille plas. In colonnes drijven ze vredig op hun spiegelbeeld. De rietkragen dansen op de zuchtjes wind die van de plas blazen.

Dan word ik geroepen door een geluid hoog in de lucht. Als ik omkijk word ik verrast door een hele horde ganzen in formatie, die westwaarts vliegen. Even wil ik ze volgen, word overvallen door het geluid en hun richtingsdrang. Ik begin harder te trappen. Bijna automatisch fiets ik als een schoolventje achter de groep vogels aan. Plotseling veranderen ze van richting en steken de plas over. Afgesneden door het water kom ik tot stilstand. Terwijl ik de vogels het nakijken geef voel ik mijn zweterige lichaam en word herinnerd aan de snotterige verkoudheid.

Thuisgekomen kruip ik weer onder mijn kleedje op de bank, smeer wat verse Dampo op de borststreek en slik het voorgeschreven dagelijkse pilletje. Dan draai ik het prachtige Gloria van Vivaldi. Terwijl ik mijn ogen sluit denk ik aan de oude lieden in de wachtkamer, en voel ik me even oud.

Haar biechten

Tags

, , ,

Lezer, laat ik gelijk met de deur in huis vallen. Ik ben jaren lang vreemd gegaan. Ik was rusteloos, niet te bevredigen. Ik ging van adres naar adres en hield het nooit langer dan een of twee bezoekjes uit bij dezelfde. Sinds enkele maanden heb ik een dame getroffen waarbij ik me op mijn gemak voel, die me lieflijk door de haren strijkt en me accepteert zoals ik ben. Bovenal is zij een dame die heel goed begrijpt hoe ik het graag hebben wil.

Ik heb het natuurlijk over mijn kapster. Na jaren mijn geluk bij talloze kapperszaken beproefd te hebben, heeft mijn zoektocht juni jongstleden tot een bevredigend resultaat geleid. De weg ernaartoe was allerminst een makkelijk begaanbare.

Zo was een van de zaken die ik vorig jaar aan deed de goedkoopste die ik ooit bezocht had, zowel in prijs als in eindresultaat. De beste man rekende mij een gering bedrag – namelijk van 5 euro – voor het in orde brengen van mijn coiffure, een gegeven waar ik uiteraard zeer content mee was. Ik kreeg een heuse stempelkaart cadeau waarmee ik bij het elfde bezoek gebruik zou mogen maken van een gratis knipbeurt. De tweede stempel die ik in de wacht sleepte werd echter eveneens de laatste, daar ik na het ontvangen ervan thuisgekomen voor de badkamerspiegel enkele oneffenheden ontdekte, waaronder een aanmerkelijk verschil in lengte tussen de linker en de rechter bakkebaard, te weten 8 mm.

Enige tijd later was ik eens klant van een onvervalste gay-kapper. Een curieuze jongeman, wiens nichterige eigenwijsheid uitstraalde dat hij precies wist hoe hij mijn coupe het best kon vormgeven. Vaak stond hij, wanneer ik in de stoel plaats had genomen eerst een tijdje op enkele meters afstand het object (mijn hoofd) in zich op te nemen vergezeld van enkele moeizame klanken, waarmee hij graag de indruk wekte een artistieke wending te geven aan de zeer eenvoudige wens van mijn kant: ‘iets korter, oren vrij’. Geheel tegen mijn zin in zette hij na het knippen mijn bijgeknipte coupe in stekeltjes overeind. Door de toewijding en overtuiging waarmee hij zijn werk bezigde, was ik allerminst van plan om hem te kwetsen en knikte breed glimlachend, toen hij de spiegel achter mijn hoofd heen en weer haalde. Dit in de hoop dat hij hem hierop snel zou laten zakken en we tot transactie van het verschuldigde bedrag over zouden gaan, daar ik een dergelijke façade niet lang vol kon houden. Ik groette hem met mijn stekelhoofd en vertrok, wederom met een stempelkaart in bezit.  Als een malle holde ik daarna het steegje uit om op de hoek in een spiegelend winkelraam de nog natte klonters gel uit mijn haar te trekken, en de ravage enigszins plat te strijken.

Een ander euvel begon in de zaak waar ik als kind altijd geknipt werd. Namelijk mijn moeite om een bepaalde voorkeur te uiten voor een van de dienstdoende kortwiekers in de zaak. Ik had namelijk nooit echt een voorkeur. Nee, ik had bovenal een afkeur. Het was de eigenaar van de zaak, een klein heertje met een bolle buik en een heel raar oortje. Dat oortje zag er uit alsof hij er zelf per ongeluk met een schaar in had geknipt. De kinderlijke angst dat hij mijn oorschelp ook zo zou couperen zorgde ervoor dat ik me daar wachtend op mijn beurt suf zat te berekenen of ik niet door hem geknipt hoefde te worden, maar door een van zijn drie dochters, zodat ik niet met een dergelijk oortje door het leven hoefde te gaan.

Toch vallen deze ervaringen, wat er slechts enkele zijn in een serie van beproevingen, in het niet bij de kern van het probleem. Het gaat me namelijk om iets veel belangrijkers: het praten. Ik vind het buitengewoon vervelend om oppervlakkige gesprekken te moeten voeren over mijn arbeidsbetrekking, en daarover clichématige vragen op dezelfde wijze te moeten beantwoorden. Evenmin heb ik er behoefte aan de gehele snoeibeurt stilzwijgend in de spiegel te staren. Nee, een kapster moet mijns inziens haarfijn aanvoelen wat haar klanten willen. Voor mij is dat, naast enkele basisvaardigheden omtrent het gebruik van knip- en scheergerei, de hoofdzaak van het kappersvak.

En dat heb ik gevonden. De dame in kwestie wast bij aanvang even mijn haar, waarna ik plaatsneem in de kappersstoel en zij al kappend oeverloze verhalen ratelt over haarzelf, zonder daarbij ook maar het minste van mij te verwachten. De verhalen zelf interesseren me geen zier, maar zo nu en dan breng ik een beamend of verbaasd geluid voort om haar babbeldrift aan te sterken en zodoende het gesprek niet op mij aan te laten komen. Waarna ik weer verzak in een tevreden glimlach, totdat zij de spiegel achter mijn hoofd heen en weer beweegt, ten teken dat haar biechten helaas weer over zijn.

Nazomerblues

Tags

, , , ,

Een herfstig bos in Midden-Nederland. Langs de bosrand kronkelt een pad waar een jongeman zich het rood op de wangen fietst. Hoewel de laaghangende zon niet sterk schijnt, zijn zijn ogen toegeknepen. Hij kijkt om zich heen, afwisselend van bos naar weilanden, waar koeienvlaaien als schoorstenen dampen. De banden rollen rap over het zwarte zand, de trapas kraakt op het laagste punt.

Er schiet een duif tussen het bladerdek omhoog en vliegt klapperend tussen de kalende eiken weg. De benen van de jongeman houden kortstondig halt als hij het dier nastaart de hoogte in. De bel rinkelt licht wanneer hij een boomwortel kruist.

Die jongeman, dat ben ik. Over ruim een maand. Wanneer de blaadjes weer gaan vallen en de wind zijn werk weer doet. Het is vast een doordeweekse dag, een uur of half vijf. De vakantie ben ik dan allang vergeten. Hoe de zon mij overgoot. Ik kan me dan niet meer voorstellen hoe ik met een rol wc papier tussen borst en bovenarm de tocht van tent naar toilethok maakte. Of 10 uur lang cd’tjes draaien, op de Route (de Soleil) ernaartoe. ’s Middags zwemmen tussen vissen, ’s avonds liggen met een boek. Twee weken in sandalen en afgeknipte spijkerbroek. Onder een sterrenhemel praten, dan het geluid van een zware rits, een flits van zaklamplicht. Het is de buurman van hiernaast, die zijn laatste plas gaat doen.

Ik heb de nazomerblues. Eventjes heb ik het nog geprobeerd, het vasthouden van het campinggevoel. Gisterenavond zette ik daarom een kopje koffie op campinggas in de achtertuin. Keteltje, filtertje erbij. Binnen lag mijn wederhelft heerlijk op de bank te spinnen, met de verwarming op heet tv te kijken. De wind blies mijn lucifers uit, er vielen regendruppels op mijn neus. Het was steenkoud.

Een troost is dat ik dit over ruim een maand vergeten ben. Dan fiets ik door het bos naar huis, denkend aan die heerlijke nazomer die we gehad hebben. Toen de temperatuur, hoewel niet zomers, schappelijker was. Of hoe ik kerst ga vieren, en wanneer de schaatsen uit het vet mogen! Thuisgekomen eet ik dan boerenkool, met een lekkere Hema worst.

Door de jaren

Tags

, , , ,

Op een van de mooie dagen die dit jaar ons gebracht heeft heb ik mezelf comfortabel geïnstalleerd op het zitje voor ons nederige huisje. De zon is zojuist doorgebroken en het is goed toeven in haar licht.

De buurman en zijn hond zitten ook voor de deur van hun huisje. Buurman eet een boterham die hij zich zichtbaar laat smaken. Er rijdt een jochie op een blits scootertje door de straat, dat een grijzig rookpluimpje de warme zomerlucht in proest. Vanachter mijn zonnebril aanschouw ik het tafereeltje tevreden. Even licht verteerbaar als de witte boterham die buurman naar binnen peuzelt, is de korte conversatie die volgt. Een korte impressie: weertje, niet? Heerlijk he?. Heb je al vakantie? Ja, sinds gisteren. Ga je nog weg? (enz.).

Vakantie dus. Een tijd om op de lauweren te rusten en eens kalmpjes te bezinnen over het afgelopen jaar. Ik heb al jaren de neiging om de jaren in schooljaren of studiejaren op te delen in plaats van kalenderjaren. Waarschijnlijk omdat van jongs af aan de grootste veranderingen plaatsvonden na de zomer. Nieuwe klasgenoten, nieuwe opleiding, nieuwe leeftijd.

Terugdenkend realiseer ik me dat het alweer tien jaar geleden is dat ik van de middelbare school afkwam. Tien jaar. Dat was een van de mijlpalen in mijn leven. Vanuit een geautomatiseerd systeem, waarin je passief kon meedeinen als je je rapportcijfers maar scoorde en zo nu en dan een boekverslag van internet plukte, ging ik naar een situatie waarin de verantwoordelijkheid grotendeels bij mezelf kwam te liggen.

Het imiteren van mijn moeders handtekening (sorry mam) voor de absentiebriefjes maakte plaats voor het ondertekenen van contracten. Nablijven heet nu overwerk en het equivalent van melden bij de conrector luistert naar de benaming functioneringsgesprek. Een Pennyrekening noemen ze tegenwoordig pensioenfonds.

Ik werd onderdeel van het systeem. Ik ging werken, op kamers, maakte nieuwe vrienden, verloor oude en fladderde uit het veilige nest in naar een vogel genoemde straat in Ermelo, naar een hok van 8,75 m2 dat ik ondanks de kleinte als een zee van ruimte ervoer. Daar werd ik later weer uitgezet wegens o.a. een creatieve uitspatting met stokbrood en soesjes (tip: softbal op zijn best, mail voor details en spelregels) en ik kon weer opnieuw beginnen. Ik maakte reizen, ontmoette mijn wederhelft, haalde zelfs een rijbewijs na 6 mislukte pogingen. Van eenzame kamers via weer andere kamers en anti-kraak huisjes nu al twee jaar gerust samenwonend in een heus appartementje. Volledig legaal en degelijk. En als alles goed gaat vanaf januari met een huisgenoot erbij die genetisch enige gelijkenis zal tonen. Ja dat leest u goed.

Terwijl hij het zitkussentje van zijn tuinstoel opvouwt en de hond slaafs de staande houding aanneemt, besluit buurman mijn gedachtestroom onbedoeld – maar o zo doeltreffend –  met een passend cliché:

 ‘Nou, geniet er nog maar even van, voor je het weet is het weer voorbij’.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.